Biologisch eten is goed fout?!

Essay van Ralf Bodelier, dat verscheen in Trouw. Ik ben het zeker niet eens met dit betoog, maar het geeft mooi de standpunten weer van de tegenstanders van biologisch voedsel. Binnenkort een essay dat juist de voordelen van biologisch eten laat zien.

© Sabine Joosten, HH.

Door: RALF BODELIER  (Trouw: 22-9-2013)

Het klinkt idyllisch: eet biologisch en lokaal verbouwd voedsel. Maar als we dat massaal gaan doen, dreigt een ramp voor de allerarmsten en het milieu, meent Ralf Bodelier.

Als het milieu je lief is en je armoede wilt bestrijden, dan is intensieve landbouw een morele plicht

De kans dat ik sommige vrienden en kennissen nog tegenkom bij de Aldi, is nagenoeg nul. De een geeft de voorkeur aan slowfood en haalt zijn vlees bij de groene slager. De ander doet al zijn inkopen bij de biologische supermarkt. Maar liefst drie kennissen verbouwen hun sla, courgette en spinazie in eigen moestuin. Stonden in mijn woonplaats vijf jaren geleden nogal wat volkstuinen te huur, nu is er een wachtlijst. Biologisch voedsel, slowfood en lokaal verbouwde producten zijn onmiskenbaar in opmars.

De vooruitstrevende stedelijke en invloedrijke elite loopt daarin voorop. Velen van hen zetten zich ooit in voor de multiculturele samenleving en de derde wereld, of tegen kernwapens en de klimaatverandering. De voorstanders van ‘bio, slow en lokaal’ zijn kosmopolieten, wereldburgers, die het goed voorhebben met mens, dier en milieu.

Voor wie nog niet zo thuis is in het metier: biologische boeren zien af van kunstmest, pesticiden en genetisch gemodificeerde gewassen. Slowfood wil terug naar de ambachtelijke ver-vaardiging van ons eten. De voorstanders van stads- en streeklandbouw betrekken hun voedsel liefst uit de eigen omgeving. En allemaal hopen ze dat de intensieve, mondiale en hightech productie van ons voedsel op de schop gaat.

Bioboeren in Ethiopië
De voorkeur voor ‘bio, slow en lokaal’ groeit het sterkst in landen als Denemarken, Oostenrijk, Zwitserland, Nederland en Duitsland. De consequenties van deze trend raken de hele wereld. Om de westerse markten te bedienen, nam het areaal aan biologische landbouwgrond in Polen binnen zes jaar toe met meer dan 500 procent. De afgelopen drie jaar vernegenvoudigde het aantal bioboeren in Roemenië. Hele landbouwconcerns in Peru, India, China en Mexico schakelden over en bedienen nu Naturkostladen in Duitsland en Nederlandse Ekoplaza’s. Afgelopen jaren kwam ik zelfs biologische boeren tegen in Ethiopië en Rwanda, al is dat bij nader inzien zo vreemd nog niet. Want Afrikanen boeren bij gebrek aan kunstmest, gewasbeschermers en geavanceerde soorten per definitie al biologisch. Dat bevalt hun trouwens maar matig, behalve wanneer het Westen bereid is goed voor hun producten te betalen.

Afgelopen maanden zocht ik, persoonlijk en via mijn website, naar een verklaring. Waarom gaat de westerse elite voor ambachtelijk bereide spaghetti en kaas van de boerderijwinkel? Waarom houden drukbezette dertigers en veertigers er plotseling een moestuin op na? Dit is wat zij mij vertelden – en wat strookt met bevindingen van het Landbouw-Economisch Instituut in Wageningen.

Met stip op één staat de bevordering van de eigen gezondheid. Industrieel bereid voedsel is ongezond en onveilig: met al die E-nummers, antibiotica en voedselschandalen, weet je niet wat je eet en wat er allemaal aan is toegevoegd. In de biologische keuken, of bij groenten uit de eigen tuin, hoef je je daarover geen zorgen te maken. Met worst van de streekmarkt en honing van de stadsimker herstellen wij het contact met de herkomst van ons voedsel.

Een stuk lager, op twéé, staan de dieren en het milieu. Intensieve landbouwers knippen biggenstaarten, branden kippensnavels af, ze overbemesten het land en laten met hun pesticiden bijenvolken uitsterven.

En, ten slotte, op drie: ‘bio, slow en lokaal’ verbindt mensen. In de volkstuin knoop je snel een gesprek aan en in de boerderijwinkel kennen ze je nog bij naam.

Tegen het derde antwoord valt niet veel in te brengen.

Oase
Tegenover het intensieve landbouwbedrijf, waar één academisch opgeleide boer met voeder- en veegrobots een stal met vierduizend vleesvarkens bestiert, is de kleine biologische boerderij met boerderijwinkel, buurtmoestuin en maandelijkse streekmarkt een oase van intermenselijk contact.

Het tweede antwoord (pro dierenwelzijn en milieu) is wél wat discutabel. Hoewel biologische boeren vaak vooroplopen in het verbeteren van dierenwelzijn, haalt de intensieve sector hen snel in. Legbatterijen voor kippen zijn sinds 2012 in de hele Europese Unie verboden. Het castreren van biggen is een aflopende zaak. Per 2018 wordt het afbranden van kippensnavels verboden. Wel moet Wakker Dier nog steeds strijd leveren tegen de plofkip, het afbranden van biggenstaartjes en het ijzerarme dieet van vleeskalveren. Wie het beste voorheeft met dier en milieu, stapt vandaag nog over op een vegetarisch menu. Vreemd genoeg hoor je daar bij ‘bio, slow en lokaal’ weinig over. Daar is de beweging te hedonistisch voor.

De eerste en meest gehoorde verklaring is ronduit problematisch. Hoezo is ons industrieel bereide voedsel ongezond en onveilig? De voedselsector geldt als een van de meest gereguleerde sectoren in Europa. Alle kunstmatige toevoegingen, de E-nummers, worden uit en te na getest. Deskundigen verwijzen gruwelverhalen over stoffen als aspartaam keer op keer naar de prullenbak. De kans om aan voedsel te bezwijken is verwaarloosbaar. Zo is het aantal doden als gevolg van voedselschandalen – van Q-koorts en gekkekoeienziekte BSE tot poepbacteriën in vlees – minimaal. Statistisch gezien loopt de Europeaan 260 keer meer kans te sterven aan de griep of 400 keer meer kans om zelfmoord te plegen, dan het leven te laten door onveilig voedsel.

Omdat dit belangrijkste antwoord van mijn vrienden en kennissen zo discutabel is, vermoed ik nog een onuitgesproken motief: ze hebben een afkeer van een abstracte en chaotische wereld, die zich via tv en internet in onze woonkamers meldt. Ze verlangen naar veiligheid en overzicht in tijden van globalisering.

Veilig paradijs
Het werk in de eigen moestuin, tussen sla en broccoli, is dan een weldaad. Even worden we verlost uit het razen van de globalisering. Terwijl we in onze mondiale samenleving over alles in real time en virtual reality kunnen beschikken, verschaft een tuin ons weer het besef van de ‘ware’ tijd en van ‘werkelijke’ ervaringen. Hoeveel water of compost we ook bij ons tomatenzaadje doen, de plant groeit in zijn eigen tempo. Terwijl onze vingers op een tablet of toetsenbord geen kans meer krijgen om vies, vet of nat te worden, graven we tussen kool en radijs in de essentie van het leven. Terwijl in Damascus stevig wordt gemoord, een geheime dienst in Washington onze e-mails leest en klimaatdeskundigen wijzen op de poorten van de hel, trekt de wereldburger zich even terug in zijn eigen, kleine, veilige paradijs.

Scherp wordt deze huidige voedseltrend geanalyseerd door de Amerikaanse socioloog Andrew Szasz in zijn boek ‘Shopping Our Way to Safety’ (2009). Szasz wijst op angst en onzekerheid als de belangrijkste oorzaak achter onze hang naar ‘bio, slow en lokaal’. Dat is overigens niet zozeer de bange overtuiging dat we op dit moment afgetankt worden met dioxines en kankerverwekkende E-nummers. Het is vooral de angst dat het morgen fout kán gaan en dat er dan niemand meer is die ons daar nog tegen beschermt.

Dat we ons terugtrekken achter nationale grenzen, in gated communities en in de eigen keuken of moestuin, is dan ook een vorm van ‘omgekeerde quarantaine’

In een even dynamische als grenzeloze samenleving voelen we ons onbeschermd: tegen computervirussen, tegen extremistische moslims, tegen flitskapitaal en ja, tegen gevaarlijk voedsel. Om de een of andere reden hebben we bovendien de hoop opgegeven dat de overheid in staat is om ons veiligheid te bieden. We voelen ons naakt en overgeleverd aan oncontroleerbare machten, ver buiten ons zicht en ons bereik.

Dat we ons terugtrekken achter nationale grenzen, in gated communities en in de eigen keuken of moestuin, is dan ook een vorm van ‘omgekeerde quarantaine’. Wanneer in een geruststellende samenleving een ziekteverwekker opdoemt, dan plaatst een krachtige overheid deze in isolement en beschermt zo zijn omgeving. In een omgekeerde quarantaine lijkt de overheid niet meer in staat om de ziekteverwekker te isoleren. Dan trekken we ons terug en isoleren we onszelf van een zieke werkelijkheid. Zo’n ‘omgekeerde quarantaine’ is apolitiek, zo niet antipolitiek. We wantrouwen het voedsel in de supermarkt, we leven mee met de dieren in de intensieve veehouderij en verlangen naar meer sociale contacten. Maar we dwingen onze politici niet langer om deze kwesties nog in behandeling te nemen.

Het is deze apolitieke benadering van ons voedsel die ertoe leidt dat we nog maar zelden vragen naar de gevolgen van ons culinaire isolationisme voor mensen buiten het rijke Westen.

Zijn we met steeds meer ‘bio, lokaal en slow’ ook in staat om de laatste 870 miljoen hongerigen in het arme Zuiden van voedsel te voorzien?

Glazige blik
Wat betekent het voor de drie miljard mensen extra die de komende decennia geboren zullen worden, dat steeds meer boeren in Peru, Rwanda en Mexico biologisch telen om aan de groeiende vraag uit het Westen te voldoen?

Wanneer ik deze vragen aan mijn vrienden en kennissen stel, kijken zij doorgaans glazig. Zelf brengen zij armoede, honger of ondervoeding op wereldschaal op geen enkele manier in verband met hun verlangen naar duurzaam voedsel. Maar dat verband is er wel degelijk, zo stellen landbouwdeskundigen, onder wie Louise Fresco en Aalt Dijkhuizen in Nederland (zie ‘De affaire Dijkhuizen’ op pagina 8).

Zij betogen dat biologische boeren precies datgene afwijzen wat in de afgelopen eeuw de wereldwijde voedselproductie enorm opstuwde. Dat vandaag de dag zes van de zeven miljard mensen voldoende te eten hebben, is onder meer te danken aan wat de aanhangers van ‘bio, slow en lokaal’ zo verafschuwen: genetische veredeling van planten, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en vooral van kunstmest.

Alleen al het afwijzen van kunstmest betekent dat de opbrengst van de biologische land-bouw veel lager is dan die van de intensieve landbouw. Door het afwijzen van veel gewasbe-schermers wordt een deel van de opbrengst opgeofferd aan onkruid, schimmels en insecten. En het afwijzen van genetische modificatie remt het telen van varianten af die door kunnen groeien in lange periodes van droogte en overstromingen, of die zelf al resistent zijn tegen schimmels en insecten. In alle gevallen is de opbrengst van de biologische landbouw aanmerkelijk lager dan die van de intensieve land-bouw. En een lagere opbrengst drijft de prijs van voedsel stevig op, zeker wanneer de bevol-king ook nog eens toeneemt.

‘Morele opdracht’
Biologisch boeren is dan ook een forse rem op de kansen om de armsten van goed en goedkoop voedsel te voorzien. Mijn Nederlandse vrienden en kennissen betalen niet alleen meer voor hun groenten en brood bij Ekoplaza, zij drijven ook de prijzen van groenten en brood op van mijn vrienden en kennissen in de sloppenwijken van het Zuiden.

Door juist datgene af te wijzen wat de moderne landbouw in staat stelde enorme hoeveelheden voedsel te produceren voor een steeds lagere prijs, diskwalificeert de biologische landbouw zich niet alleen als instrument in de bestrijding van wereldwijde honger. Ze doet dat ook als potentiële leverancier voor een wereldbevolking waarvan over dertig jaar zeven miljard mensen in steden zullen wonen.

Het verder ontwikkelen van intensieve landbouw, zo stelde de al genoemde Wageningse landbouwexpert Dijkhuizen in deze krant, is een ‘morele opdracht’.

De biologische landbouw bedreigt niet alleen de strijd tegen de armoede.

Tegen de intuïtie in
Ze vormt ook een bedreiging voor de ongerepte natuur. Omdat biologische boeren weigeren kunstmest te gebruiken, zullen zij gebruik moeten maken van andere meststoffen. Die kunnen zij verbouwen op extra landbouwgrond, of ze kweken ze op het eigen land, waardoor dat tijdelijk niet voor productie gebruikt kan worden. Links- of rechtsom heeft biologische landbouw veel meer grond nodig – twintig of misschien wel honderd procent extra, daarover verschillen de deskundigen van mening.

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, vallen ‘biologisch’ en ‘duurzaam’ dus niet samen

Het druist tegen onze intuïtie in, maar dankzij de intensieve landbouw bleek het wereldwijd niet alleen mogelijk om in 2005 dúbbel zoveel graan te verbouwen als in 1968. Bovendien was dat mogelijk op een vrijwel gelijkblijvende oppervlakte. Zo voedt de intensieve landbouw niet alleen zes miljard mensen, maar spaart hij ook veel wilde natuur. “In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, vallen ‘biologisch’ en ‘duurzaam’ dus niet samen”, schrijft Louise Fresco in haar magnum opus ‘Hamburgers in het paradijs’. In het (onwaarschijnlijke) geval van een grootschalige omschakeling naar biologische landbouw, zal ook in de meest optimistische schatting de hele Amazone of het Congobassin moeten worden omgeploegd.

In 1939 publiceert de uit nazi-Duitsland gevluchte schrijver Berthold Brecht zijn gedicht ‘An die Nachgeborenen’. Een gedicht dat begint met de zinnen ‘Werkelijk, ik leef in duistere tijden. Wat zijn dit voor tijden waarin / een gesprek over bomen al bijna misdadig is / omdat het impliceert dat over zoveel wandaden wordt gezwegen.’

Wat Brecht hier aanklaagt, is de voorliefde van Duitse schrijvers en dichters voor lyrische thema’s uit de natuur op een moment dat zij al hun kritische aandacht op het nationaal-socialistische regime zouden moeten richten. Een gesprek over bomen lijkt onschuldig, maar is het niet wanneer het de plaats inneemt van een hoogstnoodzakelijk gesprek over bommen.

De woorden van Brecht zijn ook vandaag actueel. Wat we nodig hebben is geen omgekeerde quarantaine, maar een nieuw politiek elan.

Om werkelijk kosmopolitisch te zijn – en dat pretenderen mijn vrienden -, zou de elite haar interesse voor ons dagelijks brood verder moeten laten reiken dan de eigen gezondheid, het leed van de plofkip of de sociale verarming. Wereldburgerschap betekent ook dat je grote kwesties overdenkt in het politiek debat, zoals dat eerder gebeurde met kernwapens of de multiculturele samenleving. Aan dat debat moeten we een belangrijk thema toevoegen: het verenigen van onze weerzin tegen een abstracte en chaotische wereld met de strijd tegen de honger, zowel hier en nu als in 2050.

De ‘affaire Dijkhuizen’
De Wageningse landbouwexpert Aalt Dijkhuizen vindt intensieve landbouw onmisbaar voor de bestrijding van honger in de wereld. In Trouw (3 augustus 2012) zei hij: “Er zijn in 2050 zo’n negen miljard mensen op de wereld, twee miljard meer dan nu. Bovendien neemt de welvaart in opkomende economieën toe, waardoor de consumenten daar meer vlees en zuivel gaan gebruiken. Dat betekent dat de voedselproductie – voor mens en dier samen – per hectare moet verdubbelen. Uiteraard onder de randvoorwaarde dat het milieu maximaal wordt ontzien: meer productie met minder gebruik van grondstoffen en chemische hulpmiddelen. We zullen alle zeilen moeten bijzetten om dat mogelijk te maken. De Nederlandse efficiëntie en innovatiekracht zijn daar het geschiktst voor. Als we nu gaan roepen dat die intensieve landbouw zijn langste tijd heeft gehad, dan gooi je het kind met het badwater weg.” Juist intensieve landbouw, zei Dijkhuizen, is het meest duurzaam. “We moeten dus niet minder, maar meer intensieve landbouw gaan plegen.”

Op Dijkhuizens weinig modieuze visie kwamen bij Trouw heftige reacties binnen; de ‘affaire Dijkhuizen’ was geboren. Die heeft, zei duurzaamheidshoogleraar Louise Fresco in haar Herzberglezing (Trouw, 17 september 2012), “het woord ‘intensivering’ verheven tot het meest beladen woord van deze tijd. Intensivering is het etiket voor het nieuwe onheil, het is alles waar de westerse stedelijke consument zich tegen verzet: onnatuurlijk, dieronvriendelijk, milieuvervuilend, groot- schalig, mondiaal, technologisch.”

“De meeste reacties (op Dijkhuizen) nemen uitsluitend Nederland tot uitgangspunt, waar het verlangen naar kleinschalig en diervriendelijk overheerst. Dat is iets anders dan het maatschappelijk draagvlak in Azië voor goedkoop voedsel voor zoveel mogelijk mensen”, meent Fresco.

“Tegenstanders van Dijkhuizen die zeggen dat de biologische landbouw net zoveel kan opbrengen als de gangbare, vertellen maar het halve verhaal. Ze rekenen niet mee dat het land een op de drie tot vier jaar braak moet liggen of met groenbemesters ingezaaid moet worden, noch dat er voor de dierlijke mest een veelvoud van die ene hectare nodig is aan grasland. De werkelijke opbrengsten, gemeten over een langere periode, zijn dus aanzienlijk lager.”

Ralf Bodelier is theoloog en cultuurfilosoof. Hij leidt het Wereldpodium in Tilburg. Zijn laatste boek is ‘Kosmopoliet & Krottenwijk’ (2012).

VN:F [1.9.22_1171]
Rating: 0.0/10 (0 votes cast)
0

Het verhaal van Kip

kip_met_kuikenIn navolging van vorige maand, ook nu weer een misverstand dat ik graag de wereld uit wil helpen.

Het maakt niet uit aan wie je het vraagt, maar de eerste gedachte die bij mensen op komt bij de woorden milieuvriendelijk, biologisch of duurzaam is: Dat is toch duur.

Maar is die gedachte wel terecht? En zo ja, hoe komt het eigenlijk dat biologisch zo bestempeld wordt?

Het beste voorbeeld is wat mij betreft het verhaal van Kip. Vroeger had Kip een prijs die klopte. De boer verdiende er geld aan, de poelier verdiende er geld aan en de consument had een goed stuk Kip. Helaas voor Kip liep het minder goed af, hoewel Kip natuurlijk een prachtig leven op de boerderij heeft gehad.

Niks aan de hand zou je zeggen, maar u begrijpt, zo mooi als het hierboven is beschreven kan het natuurlijk niet blijven. De technologie heeft Kip de afgelopen jaren ingehaald en door slimme kruisingen en speciaal voedsel hebben we Kip weten om te bouwen tot een werkelijke vleesmachine. Duurde het vroeger nog 12 weken, tegenwoordig wordt Kip in 6 weken omgetoverd tot een stuk voorverpakt vlees in de supermarkt.

De prijs op het hoofd van Kip is behoorlijk gedaald de afgelopen jaren, maar wie heeft hier nu eigenlijk iets mee gewonnen? De boer heeft het slecht, de poelier zit zonder werk en ook Kip zal niet de gelukkigste meer zijn. De consument misschien? Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik krijg hier zelf een beetje kippenvel van.

Dit geldt overigens niet alleen voor voedsel, maar voor bijna alle producten. Veel producten zijn de afgelopen jaren behoorlijk geëvolueerd met als doel ze goedkoper te maken. Natuurlijk een gevolg van marktwerking, maar inmiddels zijn we op een punt aangekomen dat we een product met een lage prijs als maatstaf zijn gaan gebruiken. Een maatstaf die geen rekening houdt met milieu, niet sociaal is en al helemaal niet duurzaam. Fijne maatstaf. Een lage prijs is natuurlijk prettig, maar de vraag is tegen welke kosten…?

Duurzame producten zijn helemaal niet duur, de rest is gewoon te goedkoop! Gebruik in het vervolg uw eigen maatstaf, steun Kip en kies biologische eieren voor uw geld!

Bart de Vries

VN:F [1.9.22_1171]
Rating: 0.0/10 (0 votes cast)